Houtvlotten als drijvende dorpen

Houtvlotten als drijvende dorpen

Houtvlotten waren drijvende dorpen die de rijn afzakten.

Hout was belangrijk. Het werd gebruikt voor de bouw van huizen (later voor de heipalen), kerken, maar ook voor de bouw van schepen was veel hout nodig. In een Oost-Indiëvaarder waren maar liefst vierduizend eiken boomstammen verwerkt. Er werden onvoorstelbare aantallen bomen omgezaagd. In Nederland was de houtproductie in de zeventiende eeuw al vrijwel nul. Al het hout kwam uit Scandinavië, maar vooral uit het Zwarte Woud in Duitsland.

Nagenoeg al het Duitse hout kwam eerst in Dordrecht aan en werd daar gezaagd of verder getransporteerd. Er stonden in Dordrecht tientallen houtzaagmolens.

In Duitsland werden de boomstammen tot reusachtige constructies aan elkaar gebonden. Deze houtvlotten dreven langzaam de rivier af (stevelen) richting Dordrecht om daar uit elkaar te worden gehaald.De vlotten werden afgemeerd in wat de Biesbosch werd genoemd, de monding van het tegenwoordige Wantij, die toen veel breder was.

Houtvlotten waren kolossaal. Een klein ‘Holländer’ vlot was 200 meter lang, 40 meter breed en 2 meter hoog. Een groot vlot was wel 500 meter lang, had een breedte van 80 meter en een dikte van 3 meter. In een groot vlot zaten ca. 13.000 boomstammen.

Een houtvlot was een dorp op zich. Er was een woning en een kantoor voor de vlotmeester die de leiding had over de manschappen en vanaf een drie meter hoge stellage commando’s gaf voor de besturing. Er waren slaapbarakken, een eetzaal, een bakkerij, stallen, kippenhokken, een slagerij, voorraadschuren, keukens en een aantal werkplaatsen. Aan boord waren koks, broodsnijders, slachters, een kuiper, een timmerman en een tolbankier (boekhouder).

De besturing van een vlot vereiste honderden mannen en jongens, vooral voor het remmen en het nemen van de bochten. Voor aan het vlot bevonden zich twee tot vier kleinere 30 meter lange delen, waardoor het vlot kon ‘knikken’ en daardoor in bochten beter manoeuvreerbaar was.

Aan de voor- en de achterkant bevonden zich ca. 24 roeispanen met een lengte van 16 meter. Aan iedere roeispaan stonden zeven mannen die op commando van de vlotmeester het vlot in de juiste richting konden brengen. Bij het vlot hoorde ook een groot aantal bootjes. Aan boord van elk vaartuigje bevond zich een flink anker van 100 kilo, dat door middel van een tros met het vlot verbonden was. Elk van deze scheepjes had een bemanning van zes of zeven man. Indien nodig werden de ankers door hen naar de binnenbochten van de rivier gebracht om het vlot de bocht om te helpen. Het vlot had namelijk een remweg van wel twee kilometer.Een uur voor het vlot voer een schip omvrij baan te maken voor het vlot, dat op sommige delen van de rivier de volle breedte nodig had. Alle varende schepen, geankerde vissersschepen, schipmolens en baggervaartuigen moesten uit de weg van het houtvlot en alle schipbruggen gingen open. Zelfs visnetten moesten worden opgeruimd.

Vanaf 1870 werd een toenemend aantal vlotten gesleept. Vanaf 1952 werd het zelfs verplicht een sleepboot te gebruiken en was het ‘laten drijven’ en ‘stevelen’ verboden. In verband met de toegenomen scheepvaart waren de maximale afmetingen van de vlotten beperkt tot 150 bij 27 meter. Er voeren in 1952 jaarlijks nog zo’n 26 vlotten. In 1959 waren het er nog veertien en in 1963 nog drie.

Het laatste commerciële houtvlot kwam in 1968 stroomafwaarts. Het bestond uit 2560 stammen, met een gezamenlijk gewicht van 493 ton en had een lengte van 160 meter.