Industriële Visserij op de Nieuwe Merwede

Industriële Visserij op de Nieuwe Merwede

In de laatste decennia van de 19e eeuw, werd er op het eiland van Dordrecht in de buurt van de Kop van ’t Land gevist op zalm steur, houting, elft en fint. Niet op de traditionele manier door vissers in zalmschouwen, maar door een onderneming met  ‘aandeelhouders’. Het was bijna op industriële wijze met stoommachines, bedrijfsgebouwen en 70 man personeel.

Deze nieuwe vorm van visserij was mogelijk geworden nadat de Nieuwe Merwede  was gegraven . Hierdoor veranderden grillige Biesboschkreken in een gestructureerde waterloop met evenwijdige  strakke oevers.

Door deze omstandigheden  was het mogelijk om op zalm te vissen met grote netten die zegens werden genoemd. De zegen zat  aan één uiteinde vast aan een soort  vangrail. Het andere uiteinde van het net werd naar het midden van de rivier gevaren. Het net dat op zijn plaats gehouden werd door een boot, stroomde tijdens eb terug richting Kop van ’t Land dreef.

Aan deze vorm van vissen stond  Adriaan Volker aan de basis . Hij betaalde een pacht 25.000 gulden aan de Nederlandse Staat. In ruil daarvoor mocht hij een jaar lang in de Nieuwe Merwede.  Na enkele magere jaren werden er vanaf  1880 ieder jaar zo’n 46.000 zalmen gevangen. Dit aantal was tien jaar later bijna verdubbeld.

Deze groei was reden om de zaken grootser aan te pakken. In 1887 liet de nieuwe eigenaar, de firma Ten Houten en De Raadt, aan weerskanten van de rivier een heuvel, met daarop een volkskeet, en een zegenkade aanleggen en verder een boetkeet (waar de netten werden hersteld en getaand), een paardenstal, een machineloods en een kolenhok bouwen. In elk van de volksketen was plaats voor zo’n 35 vissers die in ploegendiensten van maandagochtend vroeg tot zaterdagmiddag op het bedrijf verbleven.

Het hoogtepunt van de visserij was tijdens de Eerste Wereldoorlog. Als neutraal land bleef Nederland voedsel leveren aan Duitsland, dus ook zalm.  Dit kwam ook met name door de hoge prijs van de zalm omdat de vis steeds minder gevangen werd.

Later onderzoek wees uit dat dit kwam door de vervuiling doordat er in Duitsland een  aantal stuwen waren gebouwd in zijrivieren van de Rijn. Ook overbevissing heeft waarschijnlijk een rol gespeeld. Omstreeks 1930 was het gedaan met de grote zalmvisserijen in Nederland. Sommige gebouwen uit die tijd, zoals de volkskeet en de boetkeet, zijn  ter hoogte van de Ottersluis nog zichtbaar.